- Vertel steeds wat u aan het doen bent of hoe u zich voelt en benoem voorwerpen, bijvoorbeeld: ‘Ik vouw jouw pyjama op.’ ‘Wat is het lekker weer’. ‘Wat ben ik blij met jou’. Benoem ook voorwerpen waar uw kind naar kijkt of waar het interesse voor heeft.
- Kijk naar de gebaren en lichaamstaal van uw kind. ‘Beloon’ communicatieve initiatieven van uw kind (in plaats van het negeren van bijvoorbeeld wijzen of gebruik van klanken zodat uw kind wel moet gaan praten).
- Luister naar de woorden van uw kind terwijl u hem/haar aankijkt en geduldig wacht tot hij/zij is uitgesproken.
- Probeer altijd te begrijpen wat uw kind bedoelt.
- Herhaal wat uw kind zegt in correct gesproken moedertaal. Zegt uw kind bijvoorbeeld ‘ballom’, zeg dan: ‘Goed zo, een ballon.’ Zegt uw kind ‘auto rijde’, zeg dan: ‘de auto rijdt’ en dan bijvoordbeeld daarna ‘de auto rijdt op de weg’.
- Praat tegen uw kind en geef het goede voorbeeld. Het is beter om geen kinderachtige taal of heel moeilijke taal te gebruiken, maar noem de dingen bij de juiste naam en gebruik grammaticaal correcte (het liefst korte) zinnen. Bijv. een hond geen ‘woefwoef’ noemen.
- Blader samen met uw kind door een plaatjesboek en ga in op de initiatieven en zijn/haar reacties op het boek. Vertel zelf wat u ziet en moedig uw kind aan om te vertellen wat hij/zij ziet. Dit kan door vragen te stellen. Prijs uw kind als hij/zij antwoord probeert te geven, en herhaal wat uw kind zei. Kinderen leren veel van korte gesprekjes. Het gaat in eerste instantie om het samen plezier beleven aan boekjes lezen.
- Lees vaak samen met uw kind, het liefst op een vast tijdstip (bijvoorbeeld voor het slapen gaan / voor / na het avondeten), maar probeer ook tijd te maken om samen te spelen.
- Laat uw kind veel spelen met leeftijdsgenootjes.
- Geef uw kind ruimte om eigen taal in te zetten. Het kan soms helpen om juist wat af te wachten en aan te haken op wat hij/zij laat horen.
- Probeer bij het spelen uw kind te volgen door te vertellen wat het kind doet. U hoeft het spel niet te sturen door te vertellen wat het kind moet doen, alleen het spel volgen en met taal begeleiden.
- Reageer niet te snel op gebaren, meetrekken of iets dergelijks, maar geef uw kind een keuze: Wil je water of melk? Probeer een verbale reactie uit te lokken.
- Beperk de hoeveelheid speelgoed waar het kind mee kan spelen. Laat het kind diverse keren met hetzelfde spelen, voeg iets toe en na een paar keer pakt u iets anders. Zorg voor een rustige omgeving.
- Maak oogcontact met uw kind. Zorg bij het spelen dat u op ooghoogte van het kind zit.
- Eis geen taal. Vraag niet: Zeg eens na/ Zeg ook eens. Blijf mn. taal aanbieden.
Algemeen: volg uw kind, herhaal wat uw kind bedoelt, voeg taal toe.